Mijn vorige stukjes hebben al tot meerdere reacties van lezers geleid. Met name herkennen mensen dat zij zich soms als een dossier, als een nummer, behandeld hebben gevoeld door de overheid. Het is niet alleen door zware straffen dat mensen dit zo ervaren, het hoeft dus niet per sé te gaan om een gevangenisstraf. Ook lichtere maatregelen kunnen al maken dat iemand zich enorm in een hoek gedrukt voelt. Er was een lezer, een nette oudere heer, die mij belde om te bespreken of ik iets kon doen voor hem. Hij had een maatregel van het CBR opgelegd gekregen, hij moest een cursus doen over alcohol en verkeer. Hij had na een overlijdensgeval in de familie een avond bij een familielid gezeten en zij hadden in al hun verdriet veel gepraat en daarbij wijn gedronken. Het was niet heel veel, maar wel net een wijntje teveel bleek toen hij daarna werd aangehouden. Nog nooit eerder in zijn leven had hij iets te maken gehad met de politie, hij dronk ook eigenlijk zelden of nooit alcohol, het was door een bijzondere situatie zo gelopen die avond, maar naar de omstandigheden van het geval wilde de politie niet luisteren. Hij ontkwam dus niet aan de cursus, waar hij twee hele dagen tussen een bont gezelschap aan mensen moest zitten, en tot overmaat van ramp moest hij de cursus ook nog zelf betalen. Daarnaast had hij er nog een fikse boete voor gekregen. Hij kon al weken niet meer slapen omdat hij het als onrecht ervoer, hij werd er bijna ziek van.

Een goede advocaat geeft mensen een gezicht, een stem, in hun proces tegen overheidsingrijpen, dat is vaak nog belangrijker dan wat er uiteindelijk precies uit dat proces komt. Soms komt er steun uit onverwachte hoek voor een verdachte. Een lezer van 80 plus schreef mij dat hij lang geleden had gewerkt op de cellenafdeling van het hoofdbureau van politie in Rotterdam. De omstandigheden waaronder mensen daar zaten opgesloten in celletjes zonder raam benauwde hem zo, dat hij de etensluikjes van de cellen voor de arrestanten open liet staan. Hij schreef mij dat hij nooit de angst zal vergeten die hij zag bij mensen die voor het eerst opsluiting meemaakten.

Zelf had ik laatst een cliënt die werd verdacht van moord. Hij was aangehouden maar hij lag gewond in het ziekenhuis, dus daar werd de deur van zijn kamer door politie bewaakt zodat hij niet kon ontsnappen. Ik ging bij hem op bezoek en hij vertelde me dat hij op vakantie was in Nederland en dat hij in een hotel was aangehouden. Daar was zijn vrouw overleden en zelf was hij gewond geraakt, ze hadden gezamenlijk zelfmoord willen plegen. Hij had geen idee waar ze zijn overleden vrouw heen hadden gebracht en waar zijn spullen waren gebleven. Zijn kleding en zijn persoonlijke eigendommen die hij bij zich had gehad, waren niet naar het ziekenhuis meegekomen. Hij had alleen een onderbroek en een t-shirt aan. Familie of vrienden had hij niet. Er was niemand die iets voor hem kon regelen. Dus daar begon mijn zoektocht naar zijn overleden vrouw en naar de kleding en het paspoort van meneer. Na ruim een dag rondbellen en van het kastje naar de muur gestuurd te zijn, kwam mijn zoektocht ten einde in een begrafenisonderneming, waar ik ondersteboven hangend aan een enorme vuilniscontainer het een en ander aan kleding naar boven wist te vissen. De politie had kennelijk de hele inhoud van de hotelkamer laten ophalen, zonder onderscheid te maken tussen de spullen van mevrouw of die van meneer.

Gelukkig was niet die hele week zo zwaarmoedig. Tijdens een zitting de volgende dag, fluisterde de cliënt die ik daar bijstond meerdere keren in mijn oor “ik houd van mooie vrouwen”. “U moet opletten wat de rechter zegt”, antwoordde ik. Hij draaide zich vervolgens naar de rechter toe en jubelde “Ik houd van mooie vrouwen!”